• Merendree

Merendree is een landelijke rustige gemeente tussen Zomergem, Lovendegem en Nevele, aan de rand van het Meetjesland. De vooral jonge gezinnen die er wonen weten amper af van het drama dat zich daar ruim 60 jaar geleden afspeelde.
Sylvain Dhoest, die in 1958 twee mensen ombracht tijdens de zogenaamde “autostrademoord” in Loppem, pleegde er zijn derde en ook bijna zijn vierde moord. Hij schoot er een boerenknecht dood en verwondde een landbouwer zwaar. Die rende voor zijn leven, omdat Dhoest ook hem als ooggetuige wou afmaken.

Dankzij de getuigenis van de landbouwer kon het gerecht eindelijk de seriemoordenaar oppakken. Hij werd geestesziek verklaard en geïnterneerd. In de 40 daaropvolgende jaren zou Dhoest wereldfaam verwerven, door maar liefst zes keer te ontsnappen uit instellingen of gevangenissen waar hij als geïnterneerde verbleef. Telkens was het land in paniek en gingen deuren op slot.
Het verhaal situeert zich een goede tiental jaar na het einde van de tweede Wereldoorlog, toen Expo 58 België verbaasde met de nieuwste technische snufjes die in de wereld opdoken. Maar toen er ook nauwelijks auto’s reden op de pas aangelegde E40 naar Oostende. Een zeldzame moord was in die tijd voldoende om in een bang en nog donker Vlaanderen deuren ’s avonds goed af te sluiten…

Brutaal afgemaakt

België was maandag 31 maart 1958 in shock. Een wegenwachter van pechverhelpingsdienst Touring was ‘s morgens langs de E40 in Loppem gestopt bij een Mercedes op de pechstrook. De man ging hulpvaardig een kijkje nemen in de wagen en deed een gruwelijke ontdekking: in de wagen lagen twee bebloede lijken, van een man en een jonge vrouw. Het ging om een 39-jarige textielhandelaar uit Tielt en zijn 24-jarige secretaresse uit Brugge. Ze waren brutaal afgemaakt met een lading hagel en van hun geld beroofd. De moord werd druk besproken in gans Vlaanderen.
Men kan het zich moeilijk inbeelden, maar in 1958 reden er nog zo weinig wagens over de niet verlichte E40 dat niemand iets had gezien. In de weken na de moord werd de streek van Loppem en Brugge bovendien geteisterd door een echte diefstallen- en inbrakenplaag. Een paniekgolf ging over het land. De dader had het vooral gemunt op vee en geld. De speurders stonden voor een compleet raadsel en dat zou zo blijven tot augustus 1959, één jaar later, zoals dadelijk zal blijken.

Herkend

Op 1 augustus 1959 heel vroeg in de morgen hoorde landbouwersknecht August verdachte geluiden op het hof van zijn baas, Aimé Focquaert aan de Olmweg in Merendree. In die tijd sliepen knechten nog boven de stallen en niet in huis. De knecht zag hoe een man een kalf uit een koestal haalde. Hij herkende de dader meteen: Sylvain Dhoest, die vroeger nog op de boerderij had gewerkt. Net toen reed de landbouwer, die terugkeerde van een boodschap in het dorp, zelf het erf op. Landbouwer en knecht zetten de achtervolging op Dhoest en zijn vluchtwagen in, richting E40. Toen ze in Beernem het spoor bijster waren, keerden ze terug naar hun boerderij. Daar wachtte hen een onaangename verrassing. Sylvain Dhoest wist dat hij herkend was en had besloten snel terug te keren om de twee getuigen het zwijgen op te leggen. Hij had zijn wagen dwars over de Olmweg gezet, ter hoogte van de boerderij van Focquaert, met op de zetel naast hem dezelfde tweeloop , waarmee hij anderhalf jaar eerder in Loppem de dubbele moord had gepleegd.

Via bietenveld

Toen Focquaert stopte omdat de wagen de weg blokkeerde, stapte Dhoest resoluut op het tweetal toe, stampte met de kolf van zijn geweer de zijruit aan de kant van de passagier stuk en schoot vanop minder dan een meter een lading hagel naar de landbouwersknecht. Die werd vol in het gezicht en de keel getroffen en was op slag dood. Focquaert liet zich aan de andere kant uit de wagen vallen en rende voor zijn leven. Dhoest vuurde op de vluchtende boer, herlaadde en vuurde nog twee keer naar de wegrennende schim. Het laatste schot trof Focquaert in de linkerschouder, maar hij kon nog nipt in een hoog bietenveld wippen en verdwijnen.
“Ik zal u wel vinden, Focquaert”, hoorde hij een razende Dhoest nog roepen, vastberaden als die was om ook de laatste getuige uit de weg te ruimen. Eerst moest hij nog zijn blokkerende auto langs de kant zetten. Minutenlang sloop de gewonde boer inmiddels voorzichtig naar de woning van een vriend in de buurt en vroeg de man om dringend een dokter te bellen. De vriend ging op zijn beurt verderop in de straat gaan bellen bij zijn dochter, een der weinigen die toen al over een telefoon in huis beschikten. Onderweg zag hij Dhoest voorbijrijden. Terwijl een korte tijd later de dokter de landbouwer aan het verzorgen was, kwam Dhoest met spiedende blik nog twee keer traag voorbij het erf gereden. Maar hij merkte te veel volk en droop af.
Omdat de nummerplaat van Dhoest’s wagen genoteerd was, kwam de politie hem snel op het spoor. Zijn ouders vertelden hen dat hun zoon veertien dagen voordien van vlakbij het Jan Breydelstadion van Club Brugge was verhuisd naar Moerkerke. Daar kon de politie hem met groot machtsvertoon inrekenen.

John Massis

Tijdens het onderzoek nadien werd duidelijk hoe en waarom Dhoest, uiteindelijk een verstandelijk beperkte eenzaat, de drie moorden pleegde. Dhoest werd geboren in 1938, als zoon van groenteboeren en was op het moment van de feiten amper 20 jaar oud. Al snel belandde hij op het slechte pad dat hem naar het verbeteringsgesticht van Beernem voerde. Eenmaal daar buiten, ging hij samenwonen met een vriendin op een hoeve in Moerkerke. Omdat hij liefst snel rijk wilde worden, greep hij naar de grote middelen. Omdat inbraken en diefstallen het geld maar traag deden binnenstromen, plande hij eind maart 1958 een grote slag. Hij zou een boomstam over de E40 leggen en zo een wagen verplichten te stoppen. Net voor hij zijn plan wou uitvoeren, stopte daar plots een Mercedes. De bestuurder en passagierster wilden van plaats wisselen en toen sloeg Dhoest toe. Hij eiste geld van de bestuurder. Omdat die weigerde zijn deur te openen, maakte Dhoest beide inzittenden koelbloedig af. De overval leverde hem 8.000 frank (200 €) op. Het onderzoek wees ook uit hoe hij anderhalf jaar later in Merendree belandde. Toen hij nog in het verbeteringsgesticht in Beernem zat, werd hij overdag kort uitgestuurd naar de fruitboomgaard van Focquaert. Een andere knecht, die geregeld een handje kwam toesteken bij Focquaert, was ene John Massis, die later als krachtpatser Gent en de wereld zou (*) verbazen.
De man had toen al veel kracht, want hij werd ingehuurd om het fruit letterlijk en figuurlijk van de bomen te schudden...
(*) John Massis was later een attractie op markten, kermissen en feesten waar hij met zijn brute macht dikke telefoonboeken in twee scheurde, klinkernagels met de hand in planken sloeg en met zijn tanden startende wagens tegenhield en stilstaande treinen op gang trok.

Tot een proces zou het nooit komen. Dhoest werd in 1961 ontoerekeningsvatbaar bevonden en veroordeeld tot internering voor vijftien jaar. Een straf waarmee hij best kon leven, want zo kwam hij er stukken goedkoper vanaf dan de doodstraf, omgezet in levenslang, die hij anders riskeerde voor een hof van assisen. Nu kon hij in 1976 al vrijkomen. Tenminste, dat dacht hij.

Ontsnappingskoning

Tijdens zijn verblijf in verschillende instellingen ontpopte Dhoest zich tot een echte ontsnappingskoning, die maar liefst zes keer ging lopen en daarbij zelfs een keer jaren uit de handen van het gerecht bleef. Telkens zorgde dat voor een ware angstpsychose in de streek van Brugge en het Meetjesland en bij de mensen die op een of andere manier hadden ‘geklikt’ en bijgedragen tot zijn arrestatie.
Zijn eerste ontsnappingspoging kwam recht uit het handboek voor gevangenen die willen ontsnappen. Begin januari 1964 brachten zijn moeder en zijn broer hem in de gevangenis van Turnhout een nieuwjaarstaart, met daarin een... vijl. Hij zaagde de tralies van zijn cel door, knoopte lakens aan elkaar en klom over de gevangenismuur. De politie vond hem vijf dagen later in Sint-Amandsberg, waar hij uitgeput en uitgehongerd ondergedoken zat in een groente serre. Foto’s van de gevangene, aan handen en voeten vastgeketend aan een radiator in het politiekantoor, gingen het land rond.
In de loop van 1964 veranderde de wet echter en mensen zoals Dhoest, toen 26, werden voortaan voor onbepaalde duur geïnterneerd. Om de zes maanden konden ze hun vrijheid vragen, maar in het geval van Dhoest werd die telkens uit voorzorg geweigerd. Bovendien leek Dhoest in een echte vergeetput te zitten. In de instelling van Doornik was er geen andere behandeling dan kalmeerpillen, terwijl cipiers en medegevangenen alleen Frans spraken. Boeken, radio of kranten kreeg hij niet, zijn klachten werden steevast verworpen en door de cipiers werd hij onophoudelijk gepest.

Per fiets

Toen hij daarop in 1976 weer niet vrij mocht, nam Dhoest het heft in eigen handen. In augustus gaf hij op weg naar de eetzaal een bewaker een duw, rende weg, klauterde over de muur en verdween zonder papieren of geld. Na een klopjacht vond de politie hem twee dagen later in Antoing, zo’n negen kilometer van Doornik. Hij lag er te slapen in een... serre.
Bijna dag op dag drie jaar later, volgde poging drie. Een 200 man sterke politiemacht vond Dhoest op amper 500 meter van de instelling. Ditmaal had hij zich verborgen in een garage.
De vierde keer, in 1982, leek de goede keer te worden. Dhoest was overgeplaatst naar de Nieuwe Wandeling in Gent en verbleef enkele dagen per week in Home Prins Albert in Merelbeke, waar hij in de tuin mocht werken. Het gerecht wou zo testen of hij vervroegd kon vrijkomen. Hij zette het er evenwel terug op een lopen. Telkens opnieuw verkeerde België in opperste paraatheid, bevreesd dat deze psychopaat opnieuw zou toeslaan. Twee dagen later kon de Nederlandse politie hem in de duinen van Cadzand oppakken. Dhoest was met een gestolen fiets tot daar gereden. Hij zat een jaar in een Nederlandse cel, tot een Nederlandse rechter oordeelde dat hij moest worden vrijgelaten, net zolang tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak had gedaan in het proces dat Dhoest ons land had aangedaan. Hij vond immers dat ons land hem mensonwaardig behandelde.

Inbrekersgerief

Dhoest dook onder en pleegde vier jaar lang, met een Duitse en Nederlandse kompaan, in totaal acht bank- en andere overvallen, die hen 6,5 miljoen frank (160.000 euro) opleverden. In september 1986 vloog hij negen jaar lang opnieuw in een Nederlandse cel.
Maar ook Hollandse tralies konden Dhoest niet tegenhouden. Begin juli 1990 ging hij, voor de vijfde keer, lopen, ditmaal uit de gevangenis van Sittard in Nederlands Limburg. Hij probeerde ons land weer binnen te komen, met de bus, via de grensovergang in Zelzate. De douane deed die dag evenwel controle en omdat Dhoest geen paspoort bij had, werd hij opgepakt.
In zijn agenda vonden ze verschillende keren de naam Sylvain D. en Brugge vermeld. Toen de douane de politie in Brugge belden, vielen die bijna van hun stoel. “Douanier, voor u zit Sylvain Dhoest, een van de gevaarlijkste moordenaars die er rondlopen”. De douanier hield de vluchtkoning aan de praat, verwittigde de Rijkswacht in Zelzate, die hem na acht jaar afwezigheid terug overbracht naar de gevangenis van de Nieuwe Wandeling.
Eind mei 1993 waagde Dhoest zijn laatste poging. Hij kwam niet terug van penitentiair verlof in de gevangenis van Turnhout. Maar kort daarop werd hij weer opgepakt. Tot zijn laatste dag achter de tralies bleef hij bezoekers en advocaten vragen: “Kan je mij uitbrekersgerief bezorgen? ”. Nadat hij op het einde van de vorige eeuw definitief vrijkwam, trok hij naar Nederland en verdween in de anonimiteit. Hij was dan al de 60 voorbij. Over zijn verder traject is niets meer vernomen.

Piet De Baets