• Eeklo
15/05/2022

In het tijdschrift van het Nationaal Verbond der Oud-Krijgsgevangenen verscheen onlangs een artikel van Solange Dekeyser wiens vader nipt terugkeerde uit het gevangenkamp van Flossenbürg en het als een plicht beschouwt het drama van de concentratiekampen blijvend in herinnering van het nageslacht te houden.
Op een van de jaarlijkse ceremonies in Flossenbürg (Beieren) leerde ze onder meer de dochter van Julien Van den Driessche kennen (Ann, voormalig schepen in Eeklo) en diens boek “Mijn naam werd een nummer”, uitgegeven in eigen beheer door dochter Ann, een paar jaar terug.
Het verschrikkelijke wedervaren van Julien, samen met deze van een dertiental andere overlevenden uit de concentratiekampen, verscheen destijds ook in het bestsellerboek “De laatste Meetjeslandse getuigen “, uitgegeven door Taptoe in 1992 (uitverkocht).
Het boek “Mijn naam werd een nummer” is nog steeds verkrijgbaar (zie einde artikel).
Als blijvende herinnering
“De getuigenissen van veel oudgedienden die ons bijna allen hebben verlaten zijn zo belangrijk en een zeer waardevol instrument tegen de vergetelheid” zegt mevrouw Dekeyser. “Ik vond het mijn plicht om het boek van Julien te vertalen in “Mon nom est devenu un numéro”, om te voorkomen dat zijn ervaring, en die van zovele anderen, in de vergetelheid zou geraken, ook in het Waalse gedeelte van België. Als men Julien Van den Driessche’s ervaring als nummer 86412 in het kamp leest, dan zullen sommige passages ongeloofwaardig lijken. Duizenden zijn hier omgekomen na het ondergaan van onuitsprekelijke wreedheden! Na de bevrijding hebben veel overlevenden ervoor gekozen om deze verschrikkingen in de diepten van hun geheugen te begraven. En zij die er wel over konden spreken, stopten al snel omdat toehoorders hen eenvoudig niet geloofden. Het lezen van deze getuigenis is een unieke manier om hulde te brengen aan alle gevangenen van de kampen en ze in gedachten even weer tot leven te brengen.”
Er bestaat een film van één uur over het leven van haar vader Charles Dekeyser op YouTube: www.youtube.com/channel/UC0wt86X5vvf_XCIDxbmDCOQ
Opbouw
Flossenbürg is een minder bekend concentratiekamp in een klein dorpje van de Oberpfalz in Beieren Duitsland, vlak bij de Tsjechische grens.
In april 1938 begint een Kommando met de opbouw van een concentratiekamp. Deze plek was voor de Duitsers interessant wegens de nabijheid van grote granietsteen afzettingen. Dit graniet werd gebruikt bij de bouw van het Reichsparteitagsgelände in Neurenberg, bekend om de veelvuldige bijeenkomsten van het leger van Hitler.
Een eerste transport van 100 gedetineerden uit Dachau komt toe op 3 mei 1938. Eind 1938 zijn ze met 1.500. In 1940 zijn er 2.600 gevangenen in het kamp en het sterftecijfer stijgt elke dag. Om zich van de lijken te ontdoen, bouwen de SS’ers een crematorium in het kamp.
Gruwel
Het leven van de gevangenen staat onder voortdurende bedreiging. Hard werk tot de volledige uitputting. Elke avond was hun enige gedachte: hoe overleven we morgen nog? Flossenbürg telde ook nog 80 buitenkampen, waarvan 27 voor vrouwen. Vanaf de bouw tot de vernietiging in april 1945, passeerden er 84.000 mannen en 16.000 vrouwen uit 30 verschillende landen. Daarvan verloren 30.000 gevangen er het leven, daaronder 1.693 S.Dekeyser: “Velen streven ernaar om van dit kamp een mooie en waardige plek te maken, maar dat is onmogelijk. Deze plaats zal altijd geassocieerd blijven met gruwel en lijden. De stenen van het kamp Flossenbürg blijven getuigen: muren waartegen gevangenen werden doodgeschoten of anderen werden opgehangen, de stenen van de wachttorens waar de SS op de gevangenen schoten met als speciale beloning: 2 dagen verlof, voor een koelbloedige slachting. Dàt was Flossenbürg! Overlevenden zeiden: «We hebben Flossenbürg verlaten, maar Flossenbürg heeft óns nooit verlaten !»
Getuigenissen
Hieronder 2 fragmenten uit getuigenissen van overlevenden:

- «Wij, oud-gevangenen, werden naar hier gebracht met als enig doel: vernederd, ontmenselijkt en vermoord te worden. Vandaag bevinden we ons weer in dit proces naar de dood, maar deze keer vanwege onze gevorderde leeftijd. Daarom is het van het grootste belang dat in de toekomst de herinnering aan ons verleden niet wordt verstikt of gebagatelliseerd.» (Jack Terry, aangehouden in Flossenbürg, toen 14 jaar).

- Getuigenis van Julien Van den Driessche:
“Het vreselijkste moment in Flossenbürg beleefde ik op 7 april 1945, toen mijn broer Michel overleed (zijn broer zat samen met Julien in Flossenbürg, redactie). Ik heb het nog altijd moeilijk als ik daaraan terugdenk. Michel was uitgehongerd en had ten einde raad wat gruis van de dagelijkse bladerthee uit een bidon opgeraapt om het op te eten. Maar hij werd betrapt! Daarop werd hij door een Duitse wacht zo toegetakeld, dat het hem fataal werd. Hij overleed een paar uur nadat ik van zijn sterfbed was weggeschopt. Net voor we naar ons werk in de fabriekshallen van Messerschmitt vertrokken, was ik even uit de barak weggeslopen om mijn gewonde en stervende broer in de andere barak te bezoeken. Maar ik werd er ontdekt en het leverde mij 25 stokslagen op mijn rug op. Ik verloor het bewustzijn door de helse pijn. Aan die lijfstraf hield ik levenslang een zwakke rug over. “
Te vroeg…
“ Michel stierf net 2 weken te vroeg, want op vrijdag 20 april werden de duizenden gevangenen van Flossenbürg naar de appèlplaats gejaagd. De Duitsers voelden het einde naderen door de komst van de bevrijders en wilden het kamp ontruimen. Hun opdracht: de gevangenen laten verdwijnen, desnoods afmaken. Ze stuurden ons op dodenmars door het desolate Beierse landschap, in de gutsende regen, de barre kou en met een onbekende bestemming. We werden opgejaagd door SS’ers en Hongaarse soldaten die, op hun beurt, door naderende geallieerde troepen werden achterna gezeten. Tijdens deze dodenmars vertrokken we met 14.000 uitgemergelde gevangenen vanuit KZ Flossenbürg. Wie te verzwakt was en niet kon volgen werd onderweg genadeloos afgemaakt door de Duitse bewakers. In deze barbaarse omstandigheden kwamen meer dan 6.000 gevangenen om tijdens deze dodenmars. Na 3 dagen gestrompeld te hebben, kwam een Amerikaanse legereenheid onder leiding van generaal Patton ons op het spoor. De Amerikanen hadden eenvoudigweg de lijken langs de kant van de weg gevolgd. De Duitse bewakers sloegen halsoverkop op de vlucht! En eindelijk waren we vrij ! “
Piet De Baets