Exact 75 jaar geleden: beëindiging van Wereldoorlog 2 en bevrijding der concentratiekampen.

Ter nagedachtenis van de velen die stierven in een concentratiekamp herneemt Taptoe hierna nog eens in beknopte vorm het verschrikkelijke wedervaren van Maldegemnaar Armand Verstraete, overleden op 16 april 2003 op 92-jarige leeftijd. 
Armand lag samen met zijn lotgenoot en levensvriend Julien Van Den Driessche uit Eeklo, aan de basis van het bestsellerboek “De laatste Meetjeslandse getuigen” van Taptoe waarin 11 nog levende Meetjeslandse politieke gevangenen hun verhaal uit de concentratiekampen deden. Het (ingekorte) gesprek met auteur Marc Van Hulle hierna had plaats in 1992.

De hel
Volgens het “Nacht-und Nebeldekret” van 7 december 1941 moesten alle burgers die zich in bezet gebied schuldig maakten aan daden die de veiligheid van het Rijk in gevaar brachten, de doodstraf krijgen en geëxecuteerd worden. Zo niet moesten ze overgebracht worden naar Duitsland, vanwaar over hun lot niets mocht worden meegedeeld. 
"Onze families mochten niet weten wat er met ons was gebeurd,” onderstreept Maldegemnaar Armand Verstraete, “want wij moesten verdwijnen in de “nacht en nevel.” Dat merkten we trouwens zeer goed, de laatste dagen vóór onze dodenmars vanuit Flossenbürg: toen gebeurde de liquidatie op grote schaal. Gevangenen werden doodgeschoten, doodgeslagen, verhangen en het En of we de hel ooit levend zouden verlaten. Want Flossenbürg, dat was de hel. Geen mens kan zich voorstellen wat daar is gebeurd.”

Hoogzwanger
In de nacht van 12 op 13 april 1943 werd Armand Verstraete (32) in het huis van zijn schoonouders, bij wie hij was ingetrouwd, in de Maldegemse Aardenburgkalseide, uit het echtelijk bed gelicht. Armand was lid van het “Belgisch Legioen”’ en als dusdanig ook bekend bij de Duitse bezetter. Zijn echtgenote, Martha Van Caesele, was toen hoogzwanger van Lieva, die later zou trouwen met oud-RUG-rector Jacques Willems. Het kind zal twee jaar zijn, als haar vader naar Maldegem terugkeert, na onverkwikkelijke en mensonterende verblijven in Esterwegen, Bayreuth en uiteindelijk Flossenbürg, van waaruit hij de dodenmars meemaakte en tientallen vrienden onderweg zag sterven. Twee jaar later, op 23 april 1945, werden Armand, Julien en hun overlevende vrienden, na een geslaagde ontsnappingspoging uit de dodenmarskolonne, bevrijd door de Amerikanen.

Handdoek en zeep
“Ik werd wakker van gerommel op de overloop,” herinnert Armand zich nog alsof het gisteren was. “Ik wipte uit bed en trok de slaapkamerdeur open. Plots stond ik oog in oog met een gewapende Duitser. Ik vroeg hem om zijn wapen op te bergen, zodat mijn hoogzwangere vrouw niet zou schrikken.”
Daarna ging Armand Verstraete gedwee mee naar beneden waar Robert Willemarck, een andere Maldegemse weerstander, hem al zat op te wachten. Hem hadden ze ook uit bed gelicht. 
“Met het idee in het achterhoofd dat we toch niet lang zouden weg zijn, pakte ik gauw nog een handdoek en een stuk zeep mee, nooit vermoedend dat ik pas na ruim twee jaar naar hier zou terugkeren.” 
Armand vertelt het verhaal in dezelfde woonkamer waar hij op 13 april 1943 voor lange lijd afscheid nam van echtgenote en familie.

Briefje
“We bleven tot 17 september 1943 in Gent en dat was wat mij betreft geen minuut teveel, want ik heb in de “Nieuwe Wandeling” veruit het slechtste eten gehad van de periode dat ik weg was,” zegt Armand. “Het eten was rot, het brood rekte en ik liep er de muren op, altijd maar denkend aan thuis, aan vrouw en kind. Ik was blij dat ik in Gent weg kon, want ik dacht dat waar ze ons ook naartoe brachten het nooit slechter zou kunnen zijn dan daar ... Dat dacht ik toen nog, maar niet lang meer…”
Bij het verder vervoer vanuit Gent naar het station van Schaarbeek had Armand snel op een kladpapiertje iets geschreven en op goed geluk uit de vrachtwagen gesmeten. Als bij wonder werd het briefje door de juiste persoon gevonden en opgestuurd aan het adres in Maldegem dat rechtsboven in de hoek stond aangeduid. Via Essen en Papenburg kwam Armand Verstraete uiteindelijk op 24 september 1943 in Esterweg terecht. “Na een ruwe was- en ontluizingsbeurt, kregen we ons kampkostuum en werden we onder nieuwsgierige blikken van andere gevangenen volledig kaalgeschoren.” 

Sehr schlimm 
Was het regime nog draaglijk, dan was de voortdurende ziektedreiging en de immense luizenplaag, die de ziektekiemen overbrachten, veel meer beangstigend,” zegt Armand, die in Esterwegen materiaal uit de gebombardeerde Philips-fabriek uit Eindhoven moest sorteren. Snuggere gevangenen vonden tussen dat Philips-materiaal voldoende gerief om een eigen radio-ontvanger te bouwen. Op bepaalde ogenblikken kenden we de frontevolutie veel beter dan onze Duitse bewakers zelf. En dat gaf hoop, je dacht aan thuis en aan je dochtertje dat je op dat moment nog niet had gezien. Je was bang, maar je wist intussen waarvoor en voor wie je moest overleven.” 
Van 13 maart 1944 tot 8 maart 1945 verbleef Armand Verstraete in het Zuchthaus van Bayreuth, waar hij in de Schneiderei leerde naaien en de cel deelde met onder meer Julien Van Den Driessche. Het regime was er draaglijk “tenminste, zolang je deed wat men je vroeg…”
“Toen vaststond dat we naar Flossenbürg zouden vertrekken, vertelde een bewaker me dat ons volgend doel “sehr schlimm”, zeer erg was. En wij vonden Gent, Esterwegen en Bayreuth al “schlimm”, wat zou dan “sehr schlimm” wel betekenen? Het antwoord liet niet lang op zich wachten en geen zinnig mens kan zich voorstellen wat er allemaal achter die prikkeldraadomheining van Flossenbürg gebeurd is.”

Stank
Armand en zijn kameraden snapten al vlug dat de behandeling in het concentratiekamp Flossenbürg de vergelijking met wat ze vooraf hadden meegemaakt niet kon doorstaan. 
“Die enorme kamphekkens, die dreigende SS’ers met hun bloedhonden, maar vooral die uitgemergelde, wezenloos voor zich uitstarende gevangenen, en de her en der verspreide lijken brachten ons meteen in de grauwe realiteit van het kamp.” 
De behandeling maar ook de voeding waren zeer slecht en de werkomstandigheden waren navenant: hij kon uit de steengroeven wegblijven en kwam terecht in de Messerschmitt-vliegtuigfabriek als technieker, “terwijl ik geen schroevendraaier kon vasthouden”.
Armand werd in het kamp op een onnatuurlijke wijze met de dood geconfronteerd. Overal waar hij keek zag hij dode of stervende mensen, terwijl de angst om zelf te sterven uiteraard ook enorm was. 
“Bovendien kon men, boven alle stank die al vanzelf over zo’n kamp hing, voortdurend het crematorium ruiken. Naar het einde toe konden de ovens het tempo niet meer volgen en werden de lijken gewoon op een hoop gestapeld, klaar om verast te worden. Een beeld dat me nooit meer zal loslaten.”

Nekschot
Net voor de bevrijding van het concentratiekamp werden de gevangenen gedwongen om te voet naar andere nog niet bevrijde kampen te marcheren. De uiteindelijke bedoeling van die marsen was de volledige liquidatie van de overlevenden. Op die manier zouden alle sporen uitgewist worden.
“De willekeur die hoe dan ook regeerde in de kampen, was de dagen voor we op dodenmars vertrokken, zo mogelijk nog groter en wreder dan anders. De liquidatie van gevangenen gebeurde massaal, en wie aan de doodsslagen, nekschoten of verhanging ontsnapte, werd op 20 april 1945 op dodenmars gestuurd, in groepen van 5.000. 
“Voor het vertrek werd ons kampnummer, waardoor we geregistreerd waren, van onze kledij gescheurd en vervangen door een ander nummer. Hierdoor probeerde men verwarring te zaaien en latere identificatie van de dode lichamen moeilijker, zo niet onmogelijk te maken. 
“Drie dagen en 120 km ver heeft onze verschrikkelijke dodenmars geduurd, vaak in zeer barre weersomstandigheden. Duizenden kameraden zijn in die laatste dagen voor het einde nog gesneuveld. Want wie niet mee kon, kreeg een nekschot en hoe langer we wandelden, hoe vaker we schoten hoorden. Op een nacht werden we met de volledige groep in een moeras gedreven om te rusten. Tot aan onze enkels zakten we erin en we konden niet neerliggen. Rug aan rug hebben we de ganse nacht gehurkt doorgebracht. Wie viel, verdronk en wie rechtstond werd door de machinegeweren op de kant van het moeras afgemaakt. Ik zat er rug aan rug met Julien Van Den Driessche en ik dacht op dat moment dat onze laatste nacht was aangebroken. ‘Dat is hier het einde’, had ik Julien gezegd, ‘vannacht gaan ze de mitrailleurs doen kletteren’. Bij het verlaten van het moeras ’s ochtends, zagen we ettelijke lijken in het water drijven…”

Zending
Op 23 april werd Armand bevrijd, op 17 mei volgde de hereniging met vrouw en kind. 
“In al onze ellende in het concentratiekamp zijn we nooit onze zending uit het oog verloren,” rondt Armand af. We voelden de plicht om terug te komen en om te vertellen wat er ginder allemaal gebeurd is. We zijn niet haatdragend, maar we vergeten nooit wat we gezien hebben en wie er achter gebleven is. We hebben in de hel gezeten en we moeten er alles aan doen om te voorkomen dat zoiets zich herhaalt, zeker in een periode waar onverdraagzaamheid weer volop de kop opsteekt.” 

(PDB)